Meer snoek, minder brasem

Posted · Reactie toevoegen

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) legt aan waterschappen een concrete doelstelling op om meren en kanalen ‘natuurlijker’ te maken.  Ook de visstandbeheer commissies (VBC) waarin hengelsportverenigingen en waterschappen samen overleggen, moeten hier hun rol pakken. In de nieuwe participatiesamenleving wordt op hengelaars een beroep gedaan om zelf actief bij te dragen aan een goede visstand, door bijvoorbeeld het beheer van vispaaiplaatsen. Ook door doelgericht beheer van slootkanten en vispaaiplaatsen kan de visstand worden verbeterd. Dat is minder ‘sexy’ dan het uitzetten van grote karpers, maar wel veel beter voor een gezonde onderwaternatuur. En 1,8 miljoen sportvissers in Nederland kunnen het verschil maken, toch?

Grote snoek eet graag kleine snoek

Veel brasem is meestal een indicatie van matige waterkwaliteit. Brasems zijn bodemwoelers, die het water troebel houden, waardoor waterplanten geen kans hebben om te groeien. Beleidsmakers denken al gauw dat als er maar genoeg grote snoeken zijn, het aantal brasems wel zal verminderen. En als het aantal brasems vermindert, dan zal de waterkwaliteit verbeteren, is de voor de hand liggende gedachte.

Maar het zit ingewikkelder in elkaar. Het aantal grote snoeken wordt voornamelijk bepaald door de ecologische draagkracht van de plas of de vaart, niet door het (vermeende) beperkte aanbod van jonge snoek. Want een snoek is een rover die ‘alles eet wat hem voor de bek komt’, dus ook kleine snoeken. Zelfs snoeken van 60-70 cm zijn niet veilig voor hun grotere soortgenoten. In gezond water is er altijd een reservoir aan kleine snoekjes dat zich verborgen houdt tussen de waterplanten. Als een snoek wordt opgegeten door een grotere snoek (of weggevangen door een hengelsporter), dan wordt de opengevallen plaats snel weer ingenomen.

Omdat de snoeken elkaar opeten, ontstaat er dus nooit een legertje grote snoek om al die brasems en giebels (een soort karper) op te eten. Bovendien is de snoek helemaal niet zeldzaam en de snoekstand veert ook op zodra de sloot helder wordt en er veel waterplanten zijn om zich te verbergen.

Kleine snoek eet graag kleine brasem

De functionele rol van snoek in het ‘beheer’ van witvis zoals brasem wordt vervuld door de eerstejaars snoek. Snoekjes worden vanaf 4 cm visetend en vangen dan de nog kleinere brasem, voorn, karper etc. die in hetzelfde voorjaar zijn geboren. Het zijn dus de juist kleine snoekjes, die de recrutering van veel andere vissoorten beperken en daarmee ‘verbraseming’ van de visstand voorkomen, niet de grote snoeken (want die eten liever elkaar dan al die grote brasems).

En als de brasemstand eenmaal hoog is en het water troebel is en de waterplanten zijn verdwenen, dan is de snoek ook weg. Dan worden er ook geen jonge snoekjes meer geboren die de jonge brasem wegvreten. Het natuurlijk evenwicht schuift dan op richting brasem. Brasem is een bodemwoeler, die het water troebeler maakt en waardoor waterplanten niet tot ontwikkeling komen. Het verdwijnen van de waterplanten betekent minder habitat voor jonge en middelgrote snoek en daarmee begint de ‘verbraseming’.

Vergroten leefgebied

Door brede natuurvriendelijke oevers aan te leggen, vergroot je de paai- en leefgebieden niet alleen voor snoek, maar ook voor andere vissen, insecten, vogels etc. Onderwaterstructuren zoals takkenbossen vergroten de effectiviteit van die moerasoevers nog verder. Hier ligt de echte uitdaging voor waterschappen om tot een betere kwaliteit van de onderwaternatuur te komen, en ook de hengelsportverenigingen kunnen hier hun steentje bijdragen. De aanleg van nieuwe waternatuur vraagt veel overleg met gemeenten voor een goede ruimtelijke inpassing.

Een goede snoekstand – lees: de productie van baby snoekjes – is van nature sterk verbonden aan drassige oeverzones, zoals deze in de periode februari-april veel voorkwamen; denk maar aan alle overstroomde oevers en uiterwaarden. Vaste waterpeilen, of nog erger: tegennatuurlijk peilbeheer (d.w.z. winterpeil lager dan zomerpeil, zodat boeren eerder het land op kunnen) voorkomt dat een lage oever in ondiep water verandert. Terwijl snoek en veel andere vissoorten juist afpaaien in die overstroomde oeverzones.

Wanneer het een keer écht nodig is om de samenstelling van de visstand gericht te sturen, is het veel praktischer om incidenteel grote aantallen kleine snoekjes uit te zetten. Verschillende bedrijven in Nederland kunnen in het voorjaar op bestelling kleine snoekjes leveren (€ 13 voor 100 snoekjes van 2-4 cm). Ook grotere snoeken worden commercieel geleverd aan bijvoorbeeld hengelsportverenigingen. Het effect van het uitzetten van extra snoek is altijd maar tijdelijk want uiteindelijk eten de snoeken elkaar gewoon op. Als hengelsportverenigingen werkelijk een duurzame gezonde visstand willen, dan moeten ze inzetten op de aanleg en het beheer van natuurvriendelijke oevers en vispaaiplaatsen. Handen uit de mouwen!