Bouwen met de Natuur – Reken je niet rijk met Waterveiligheid

Natuurmonumenten pakt breed uit met een ronkend persbericht over 45 miljoen euro aan jaarlijkse besparingen op waterveiligheid en waterberging door ‘bouwen met de natuur’.

Maar is dat ook echt zo? Kernboodschap uit het persbericht: ‘Nationale waterveiligheid: 25% van alle projecten in Nederland is geschikt voor natuurlijke oplossingen, totaal 15 miljoen euro per jaar te winnen.  Waterkwaliteit, zoetwatervoorziening en regionale wateroverlast: besparingsvoordeel voor heel Nederland tussen de 35 en 40 miljoen per jaar’.

‘Bouwen met de natuur’ of ‘ruimte voor de natuur’?

Om te beginnen: ‘bouwen met de natuur’ is het concept waarbij vooral gebruik wordt gemaakt van de krachten van de (niet-levende) natuur, zoals wind en getij. Grote dijkenbouwers en zandboeren gebruiken het concept ‘bouwen met de natuur’ graag in hun marketing. Dat is mooi als er kosten kunnen worden bespaard, maar laat je geen zand in de ogen strooien!

Nou vind ik Natuurmonumenten een sympathieke organisatie, en ik vind ook dat waterveiligheid en natuur met elkaar in balans moeten zijn. Maar dat is niet hetzelfde als ‘bouwen met de natuur’. Voor gewone burgers gaat het om ‘ruimte voor de natuur’, dat wil zeggen het integreren van nieuwe natuur in grote projecten voor de kustverdediging of bij de aanleg van waterberging. Het is ook logisch om natuurontwikkeling zo veel als mogelijk mee te koppelen met investeringen in de waterveiligheid. En dat is dan ‘natuur die meelift’.

Hoe groot zijn de besparingen door natuur?

Laten we daarom nog eens inzoomen op de door Natuurmonumenten genoemde besparingen op waterveiligheid en op regionale wateroverlast. Want: vijftien miljoen euro besparen op waterveiligheid  is natuurlijk een leuk bedrag. Maar als je dit afzet tegen de 500 miljoen, die jaarlijks wordt geïnvesteerd in dijkversterkingsprojecten, dan is het natuurlijk peanuts (3%).

Voor een beoordeling van het effect van natuur op regionale wateroverlast  werden 6 bestaande ‘groene’ watermanagement-projecten onder de loep genomen, zoals het project De Onlanden in Groningen en het project Oesterdam in Zeeland. Echter, uit deze voorbeelden blijkt helemaal niet dat er grote besparingen worden gerealiseerd. Het zijn gewoon goede voorbeelden van verstandig en creatief mee-koppelen van natuur in projecten voor de waterveiligheid.

De Onlanden (foto: Wikipedia)

De Onlanden en de Oesterdam

Zo wordt er hoog opgegeven over het project De Onlanden bij Groningen: “Door de inzet van het nieuwe natuurgebied als waterberging, konden in 2012 stad en provincie voor overstroming worden behoed. De kosten voor duurzame ecologische oplossingen bedroegen 40 miljoen euro. De traditionele oplossing, kadeverhoging in een groot gebied rondom Groningen, zou 115 miljoen hebben gekost. Het financiële voordeel bedroeg dus ruim 70 miljoen euro.”

Mijn vraag: is het op grote schaal ophogen van de kaden werkelijk serieus overwogen? Nee toch zeker? Want zo reken je jezelf wel heel snel rijk. En dat je waterbergingen goed kan combineren met natuur, is ook al geen nieuws en al jarenlang praktijk. Je zou trouwens ook andersom kunnen redeneren: door het project De Onlanden is 2200 ha landbouwgrond omgezet in natuur. Bij een agrarische grondprijs van 20.000 euro per ha gaat het dus om 44 miljoen waardeverlies! Het is maar hoe je er naar kijkt.

Het project Oesterdam illustreert zonneklaar dat het concept ‘bouwen met de natuur’ in de allereerste plaats draait om kostenbesparing. De vogels hebben gewoon geluk gehad met het project Oesterdam en worden er met de haren bijgesleept. En zo staat het ook verwoord op de website van Natuurmonumenten: “Het zandlichaam wordt 2 km lang en bestaat uit 600.000 m3 zand. Het zand wordt direct voor de Oesterdam gestort. Dankzij deze zandsuppletie kan zo’n twintig jaar worden bespaard op het onderhoud aan de dijk en kunnen de vogels bij eb langer voedsel zoeken”.

De Oesterdam is in 2012 versterkt voor een periode van 50 jaar. Door het wegvallen van de zware getijdenstroming in de Oosterschelde verdwijnt het zand van de ondiepe platen in de oude diepe geulen. Het zandlichaam bij de Oesterdam is primair een experiment om te zien of  het effect van de ‘zandhonger’ van de Oosterschelde kan worden bestreden. Deze zandbult heeft weinig van doen met het besparen op onderhoud van de Oesterdam. Wel bleek dat er behoorlijke kosten moeten worden gemaakt om het verstoven zand dat op de Oesterdam terecht komt, weer te verwijderen, waardoor het project nog duurder uitvalt.

Oesterdam (foto: RWS)

Meeliften van natuurontwikkeling bij grote projecten, altijd doen!

De boodschap van Natuurmonumenten om bij grote projecten zoals grote kustverdedigingswerken of de aanleg van waterberging altijd de natuurontwikkeling te laten meeliften, getuigd van een brede maatschappelijke opstelling. Want er is veel te winnen, voor Natuurmonumenten en voor de burgers met hart voor de natuur. Maar de kreet ‘bouwen met de natuur’ betekent in de wereld van de grote aannemers écht iets anders dan waar natuurliefhebbers in eerste instantie aan denken.

Conclusie: de winst van het mee-koppelen van natuur met grote infrastructuurprojecten voor de waterveiligheid, zoals dijkversterkingen en waterbergingen, zit in het ‘conbineren en meeliften’. Omdat op basis van een politiek-maatschappelijke afweging toch al is besloten om geld uit te geven voor waterveiligheid, kan vaak voor relatief weinig extra kosten veel meerwaarde voor de natuur worden gerealiseerd in het project. Altijd doen, natuurlijk!

 

 

Hans Middendorp is business consultant Strategie, Water en Ruimte. 
Hans adviseert drinkwaterbedrijven, gemeenten en waterschappen.

  

 

 


Geef een reactie