Brede natuurvriendelijke oever is goede paaiplaats voor snoek

Waterschappen zijn, naast hun hoofdtaken Veilige Dijken en Droge Voeten, ook verantwoordelijk om te zorgen voor natuurlijk en schoon oppervlaktewater. De doelstelling om de natuurkwaliteit van de sloten en kanalen te verbeteren, volgt uit de Kaderrichtlijn Water.

Vissen in troebel water

Europese kaderrichtlijnen hebben de kracht van wet, en bij het niet halen van de inspanningsverplichtingen in het eerste peiljaar 2015 kan Brussel een hoge boete opleggen. Het kabinet heeft inmiddels via de wet Nerpe vastgelegd dat zulke boetes uit Brussel kunnen worden doorgegeven aan lagere overheden, inclusief de waterschappen. Dus het niet-halen van de KRW doelstellingen kan veel geld gaan kosten!

Vanuit de KRW zijn de waterschappen inspanningsverplichtingen aangegaan voor natuurvriendelijke oevers (nvo) en vispaaiplaatsen. Bovendien worden obstakels in de vismigratie-routes, zoals gemalen, vispasseerbaar gemaakt.

Mijn stelling is dat brede natuurvriendelijke oevers een belangrijke dubbelfunctie hebben als vispaaiplaats, en ook veel goedkoper zijn om aan te leggen.

Veel te veel Pokon in het water

Het buitenwater in veel waterschappen is rijk aan nutriënten (‘Pokon’), deels uit natuurlijke bron, deels door luchtvervuiling en deels afkomstig uit agrarische bedrijfsvoering. Omdat het slootwater zo rijk aan nutriënten is, groeien algen er gemakkelijk en snel. Als algen afsterven, zakken ze naar de bodem. Brasems en giebels vinden hun tafeltje gedekt in de sliblaag op de bodem, en door hun gewroet blazen ze steeds opnieuw het slib omhoog, zo dat het water nog troebeler wordt. Waterplanten hebben juist licht nodig om te groeien, dus in troebel water vind je ook minder waterplanten.

Watervlooien ‘grazen’ efficiënt op algen. Als je het water echt helderder wilt hebben, moet je zorgen voor veel watervlooien. In een natuurvriendelijke oever (nvo) kunnen watervlooien zich tussen de plantenstengels veel beter aan hongerige vissen onttrekken. Het zou wel eens zo kunnen zijn dat nvo’s veel efficiënter zijn om de natuurkwaliteit van het water te verbeteren dan de aanleg van speciale paaiplaatsen voor snoek.

Brede natuurvriendelijke oever is paaiplaats voor vis en kraamkamer voor watervlooien (foto: Pixabay)

Vispaaiplaatsen alleen voor snoek?

En wat voor type vispaaiplaatsen moeten er eigenlijk komen? In de KRW zijn alleen doelstellingen uitgedrukt in ha opgenomen. Recentelijk is er in Delfland discussie ontstaan over het ontwerp van vispaaiplaatsen. In Schieland hebben ze een mooie snoekenpaaiplaats gemaakt, waarin water wordt opgepompt in een soort moeras, vanwaaruit het water via een soort natuurlijke beek terugstroomt naar de naastliggende polder. De snoeken (en andere vissen) zwemmen in het voorjaar tegen de stroom in naar binnen het moeras in om te paaien. Een mooi maar duur ontwerp, dat ook veel beheer en onderhoud vergt.

Omdat snoeken graag in helder water leven ontstaat de (incorrecte!) gedachte dat de waterkwaliteit ‘dus’ verbetert met meer snoeken. Beleidsmatig wordt dan ingezet op paaiplaatsen primair geschikt voor snoek. ‘Meer snoekpaaiplaatsen, meer snoek’, is de veronderstelling. Maar ‘meer snoeken’ in sloot of plas is nog niet zo eenvoudig. Want een snoek eet ‘alles wat voor de bek komt’, dus ook kleine snoeken die zich niet kunnen verbergen tussen de waterplanten. Zelfs snoeken van 60-70 cm zijn niet veilig voor hun nog grotere soortgenoten. In gezond water is er altijd, verborgen tussen de waterplanten, een heel reservoir aan kleine snoekjes. Een opengevallen plaats wordt snel weer ingenomen.

Snoek is ook helemaal niet zeldzaam en de snoekstand veert op in  heldere sloten met veel waterplanten en veel onderwaterstructuren zoals losse takken, rietkragen etc. Het aantal grote snoeken wordt bepaald door de ecologische draagkracht van het water en niet door het vermeende beperkte aanwezigheid van kleine snoek. Er komen gewoon nooit ‘veel grote snoeken’ om al die brasems en giebels (een soort karper) op te eten en daarmee de visstand beheren!

Snoeken jagen met hun grote ogen op zicht in helder water

Bovendien is het langs natuurlijke weg kweken van snoek weinig efficiënt. Zo werd ons verteld dat er in Schieland ca. 2000 snoekjes waren geproduceerd in 2011. Als je weet dat een vrouwtjessnoek al gauw 20.000 eitjes bevat per kg lichaamsgewicht, dan geeft dat te denken! En dan is er ook nog jaarlijks terugkerend beheer en onderhoud nodig, wat tijd en dus geld kost. De keuze om speciaal paaiplaatsen voor snoek aan te leggen is dan ook niet zo vanzelfsprekend als op het eerste gezicht misschien lijkt.

Eén enkele vispaaiplaats speciaal voor snoeken is wel een leuk idee als ecologisch voorbeeldproject, compleet met een bezoekerscentrum en publieksvoorlichting.

Wet van de Grote Aantallen

In Friesland gaan ze daarom veel rigoreuzer te werk. Al jaren loopt de palingstand terug, met name omdat steeds meer glasaal op zee wordt weggevangen voor de palingkwekerijen, en er dus steeds minder glasaaltjes vanuit zee de polders intrekken. Om die terugloop tegen te gaan, wordt jonge aal uitgezet. Onderwater is het echter wel “eten en gegeten worden”, en daarom hebben de Friezen ervoor gekozen om maar liefst 400.000 pootaal uit te zetten in het Tjeukemeer. Want alleen bij grote aantallen pootvis is er een merkbaar effect op de hele visstand.

Jammer genoeg kun je geen paaiplaatsen aanleggen voor paling, omdat paling zich voortplant in de Sargassozee. Het gaat mij hier in dit voorbeeld om de grote aantallen pootvis, die nodig zijn om enig merkbaar effect te bereiken. Stel, als rekenvoorbeeld, dat je, zoals in Schieland,  in een natuurlijke paaiplaats tweeduizend snoekjes per ha produceert, dan heb je dus voor vierhonderdduizend snoekjes maar liefst tweehonderd ha paaiplaats nodig. Probeer die ruimte maar eens te vinden tussen Den Haag en Rotterdam! Om nog maar niet te spreken van de aanschafprijs van de grond en de steeds terugkerende kosten voor beheer en onderhoud.

Kleine snoekjes uitzetten is veel effectiever!

Kortom, speciale ‘snoekpaaiplaatsen’ zijn een leuk idee, maar je moet wel realistich blijven met wat je ermee wil bereiken. Als het zo is, dat het écht nodig is om de samenstelling van de visstand gericht te sturen, is het veel praktischer om incidenteel grote aantallen pootvisjes uit te zetten. Daarmee hoef je jezelf niet te beperken tot snoek, ook andere vissoorten zijn eenvoudig op bestelling leverbaar. Verschillende bedrijven in Nederland kunnen op bestelling in het voorjaar kleine snoekjes  leveren (€ 13 voor 100 snoekjes van 2-4 cm). Ook grote snoeken worden commercieel geleverd aan bijvoorbeeld hengelsportverenigingen.

Door veel en vooral  brede natuurvriendelijke oevers aan te leggen, vergroot je de paai- en leefgebieden niet alleen voor snoek, maar ook voor andere vissen, insecten, vogels etc. Onderwaterstructuren zoals takkenbossen vergroten de effectiviteit van die naturoevers nog verder. Hier ligt de echte uitdaging voor waterschappen om tot een betere kwaliteit van de onderwaternatuur te komen. En dit is een gedeelde uitdaging voor  waterschappen en gemeenten samen, omdat de aanleg van kilometers natuurvriendelijke oevers natuurlijk goed moet worden ingepast in de ruimtelijke plannen. Ook de visstandbeheer-commissies moeten hier hun rol pakken.

Zonder verbeteringen in het leefgebied voor snoek, zal het uitzetten van kleine snoekjes maar een beperkt effect hebben. Brede natuurvriendelijke oevers zijn dus ook een randvoorwaarde voor het succesvol uitzetten van kleine snoek.

Wat is de rol van snoek in de natuur?

De functionele rol van snoek in het ‘beheer’ van witvis zoals brasem, wordt vervuld door de eerstejaars snoek. Snoekjes worden vanaf 4 cm visetend, en vangen dan nog kleinere brasem, voorn, karper etc., geboren in hetzelfde voorjaar. Het zijn dus de juist kleine snoekjes, die de recrutering van veel andere vissoorten beperken en daarmee ‘verbraseming’ voorkomen! En niet de grote snoeken die de grote brasem zouden moeten wegvreten.

En als de brasemstand eenmaal hoog is, en het water troebel is en de waterplanten zijn verdwenen, dan is de snoek ook weg. Dan worden er ook geen jonge snoekjes meer geboren om de jonge brasem op te eten.

Dit is ook precies wat zich vanaf de jaren ’60 heeft afgespeeld! Door de hoge concentratie ‘pokon’ in het water (om allerlei redenen) zijn de waterplanten verdwenen. Het verdwijnen van de waterplanten betekent minder habitat voor jonge en mideelgrote snoek, en daarmee begint de ‘verbraseming’. Voor herstel van de onderwaternatuur met snoeken en waterplanten, moeten dus maatregelen worden getroffen zowel om de ‘pokon’ (nutriënten) te verminderen, als ook om leefgebied voor snoek te maken. Snoeken hebben tot een lengte van circa 60-70 cm waterplanten nodig om zich te verbergen. Evenals trouwens veel andere soorten, waaronder de meeste karpersoorten. Als natuurlijke paai- en opgroeigebieden ontbreken, is de aanleg van brede natuurvriendelijke oevers een interessante maatregel.

Tenslotte

Een goede snoekstand – lees: de productie van 1ste-jaars snoek – is van nature sterk verbonden aan overstroomde oeverzones, zoals deze in de periode februari-april veel voorkwamen; denk maar aan alle boezemlanden en overstroomde uiterwaarden. Vaste peilen, of nog erger: tegennatuurlijk peilbeheer (dwz winterpeil lager dan zomerpeil, zodat boeren eerder het land op kunnen) voorkomt overstroming. Terwijl snoek en veel andere soorten juist afpaaien in die overstroomde oeverzones.

* met dank aan Jaap Quack

Brede natuurvriendelijke oever biedt ook habitat aan insecten en vogels (foto: Pixabay)


One Comments

  • Hans Middendorp

    5 november 2012

    Nergens zo veel discussie dan als je het (bijna) eens bent – uitzetten van vis is geen oplossing voor alle kwalen, en alleen onder bepaalde voorwaarden. En nergens zulke hardnekkige "gelijkerigheid" als onder ecologen. Ik spreek trouwens ook voor mezelf 🙂

    Nog één keer daarom: uitgangspunt is dat het waterschap de redenering aanhangt dat 'meer snoek' beter is voor de ecologische waterkwaliteit en het doorzicht. Qoud Non! Ik heb daar tegenin gebracht dat juist meer watervlooien beter zijn voor het doorzicht.

    Om meer snoek te krijgen, heeft het waterschap de (impliciete) aanname gedaan dat er een probleem is met de recrutering van jonge snoek. Volgens de gedachte: meer 'kleine snoek' wordt vanzelf meer 'grote snoek', die dan fijn alle brasem opeet. Alweer: Quod non! er is geen gebrek aan kleine snoek en grote snoek eet niet alle brasem op (met de nadruk op 'alle'). En als de habitat verbetert, wordt die 'vanzelf' gekoloniseerd door jonge snoek.

    Als je vervolgens een dwingende KRW verplichting hebt om xx ha "vispaaiplaats" aan te leggen (geschatte kosten: € 1 mln per ha), en je wil als waterschap toch meer jonge snoekjes, dan is het "één + één = twee" om dan het beleid te richten op de aanleg van "paaiplaatsen voor snoek".

    Er is een werkend voorbeeld van een "snoekenpaaiplats" in Schieland. Het is een mooi en ingenieus stukje 'ecologisch speelgoed', dat duur was om aan te leggen en dat veel jaarlijks terugkerend beheer en onderhoud vergt. Maar er paaien wel snoeken.

    In aantallen snoekjes bleek de Schielandse paaiplaats weinig efficient, omdat kleine snoekjes eenvoudige en grootschalig en GOEDKOOP kunnen worden ingekocht. Het gaat dan bijv. om snoekjes die als broed worden verzameld in de Weerribben, of om snoeken van 20 cm die gewoon elders in Nederland worden opgevist. Dus geen (grote) genetische vervuiling.

    'Probleem' is wel dat als je geen paaiplaats aanlegt als waterschap, dat je dan NIET voldoet aan de KRW verplichting en theoretisch een boete uit Brussel kunt verwachten.

    Tegelijkertijd is er een KRW opgave voor natuurvriendelijke oevers . Trend in Delfland is om die NVOs MINIMAAL in te richten (dwz 3 meter breed). Ik vind drie meter nogal smal, daarmee krijg je vooral riet. Niks mis met riet, maar als je toch al de slootkant op de schop neemt, maak dan een bredere nvo, 1. goed om het aantal verplichte ha te bereiken en 2. goed voor de ecologie. Want:

    MIJN STELLING is dat een bredere NVO (dus breder dan 3 meter, bijv. 5-6 meter) met dus ook een navenant bredere plas-draszone, een grotere impact heeft op de waterkwaliteit (bijv door meer watervlooien) en tevens een dubbelfunctie heeft als paaiplaats (ook al staat er dan geen bordje bij).

    Als je langere + bredere NVOs aanlegt doe je de facto aan 'habitat restoration'. De natuurlijke habitat wordt flink vergroot, en dat betekent IMHO (in my humble opinion) dus ook meer paaigelegenheid voor allerlei aquatische organismen (inclusief noeken) EN meer leefgebied voor de jonkies om op te groeien.

    En dat je dus met het KRW budget (dat sterk is gekort bij veel waterschappen) méér effect hebt van BREDERE NVO's dan als je dat geld besteed aan een kunstmatige snoekenpaaiplaats volgens bijv. het model Schieland.

    Reply

Geef een reactie